Lenny

In 2016 zit een zekere Lenny in een café in New York te kijken naar een groot scherm tijdens de nacht van de Amerikaanse verkiezingen. Naast hem zit een man en Lenny vraagt hem of hij is gaan stemmen. De man begint aan een ­monoloog waarin hij zegt dat hij al ­jaren niet meer stemt, want wat heeft het voor zin als er toch een schaduw­regering is die alles regelt. Hij praat door en komt dan uiteindelijk te spreken over de schietpartij op Sandy Hook, wat natuurlijk in scène is gezet door de overheid, want hoe kon anders dat ene jongetje op die foto (hij noemt een naam) bij die schietpartij zijn overleden en later ook nog bij een andere schietpartij te zien zijn op een andere foto. Dat moet een jongetje zijn van een of ander ziek castingbureau.

Lenny blijkt de vader van het over­leden jongetje te zijn, dat zes was en een Spider-manpak aanhad toen hij doodging. Lenny laat zijn paspoort zien en een foto van zijn zoon.

De man deinst niet terug, maar wordt boos op Lenny, vraagt hoeveel de overheid hem betaalt om zo’n ‘crisis­acteur’ te spelen en verlaat dan het café.

Het was vier uur ’s nachts toen ik ­deze podcast van This American life beluisterde en het sneeuwde.

Wat een ongekend toeval, dacht ik eerst, dat die complotdenker en die Lenny naast elkaar zitten, maar nu weet ik dat het onvermijdelijk was, alleen wist ik niet dat het in 2016 ook al onvermijdelijk was dat Lenny op een dag naast iemand in een café zou zitten die ontkent dat zijn zoontje dood is.

Tot dusver dacht ik dat complot­denkers met name ‘zichzelf ermee ­hadden’. Als je de wereld zo wantrouwt, leef je in een gevangenis die je zelf gebouwd hebt. Maar het beeld van Lenny en de complotdenker in het café baarde me zulke zorgen dat ik meteen van alles ­begon te googelen over hoe je complotdenken te lijf kunt gaan. Lenny zit inmiddels op een schuilplaats, omdat het leger complotdenkers het op hem gemunt heeft. Hij heeft een organisatie opgezet om getraumatiseerde nabestaanden te helpen omgaan met onlinemishandeling.

Ik stond op en keek uit het raam. De camera van mijn buurman scheen op de witte vlakte van de sneeuw. Die ­camera heeft hij om alles in de gaten te houden, maar toen ik wilde weten welke hond elke dag in mijn voortuin schijt, bleek dat hij eigenlijk niet weet hoe die camera werkt. Mijn buurman is tachtig, heeft een pacemaker en is slecht ter been. Hij belde me die avond voor hij ging slapen, om te zeggen dat het goed met hem ging. Dat hij veilig was. Hij was die dag met de auto door de sneeuw naar vrienden gereden omdat hij daar een eet­afspraak had. Eerder die dag had ik ­tegen hem gezegd dat hij niet moest gaan rijden, omdat het code rood was, niet alleen wat covid betreft. Maar ik kon rustig slapen, schalde hij door de telefoon, want hij was veilig.

Ik was opgetogen over het feit dat hij belde om te zeggen dat het goed met hem ging, alsof ik niet kon slapen zonder dat te weten.

Het deed me denken aan een zin uit een boek van Salinger: ‘Ik heb een soort omgekeerde paranoia. Ik verdenk mensen ervan dat ze plannen beramen om me gelukkig te maken.’

Uiteindelijk viel ik om halfzeven in slaap, had een nachtmerrie waarin ik als enige door de weg was gezakt, maar ­niemand zag het. Ik riep, maar er kwam ­natuurlijk geen geluid uit mijn mond. Ik stel me voor dat het ongeveer zo moet voelen om nu in Amerika met iemand in het café te zitten (die natuurlijk dicht zijn). En misschien zal blijken– als de cafés eindelijk opengaan – dat ook wij elkaar ergens tijdens dit stilstaan zijn kwijtgeraakt. Dat we wel roepen, maar denken dat we niet worden verstaan.

Link naar de column.

Wekelijkse column van Rebekka de Wit in de Standaard Weekblad.