Nieuws

  • Vorige zomer zat ik aan de rand van een thermaalbad in Boedapest te wachten tot er plek vrijkwam. Het bad – dat misschien wel het grootste was dat ik ooit had gezien – zat niet per se bomvol mensen, maar werd vooral bezet door mensen die foto’s van zichzelf maakten en daardoor waren de ruimtes tussen de camera en de gefotografeerde ook ­bezette ruimte.
    Het was een verwarrende dag. De ­hele dag heb ik zitten te kijken naar mensen die keken naar zichzelf en een hoek van het bad zochten waar niemand te zien was, wat vrijwel onmogelijk was. Overal zaten namelijk mensen te wachten totdat er genoeg foto’s waren ­gemaakt en er plek vrijkwam.
    Vroeger had je dia-avonden, weet ik van mijn vader. Dan ging je de hele avond naar de vakantiefoto’s kijken van je buren of je ouders en die vertelden dan iets over wat er op de foto te zien was. ‘Dit is Henk op de hei.’ Meestal werd er dan ook nog iets gezegd over wat niet op de foto paste. ‘En hier was dan een heel kostelijke picknicktafel.’
    Nu wordt dat niet meer gedaan, maar ik denk dat dat eigenlijk niet meer zou kunnen, want wat we tegenwoordig van een foto willen, maakt dat we het ­leven moeten gaan fotoshoppen en dat is natuurlijk niet zo gezellig om te ­vertellen tijdens een dia-avond.
    ‘Hier zie je ons zitten met z’n tweetjes. We zitten daar in een thermaalbad.’
    ‘O, wat romantisch’, zegt iemand.
    ‘Jaaa! Nee, het lijkt alsof we dat bad voor ons alleen hebben, maar de waarheid is dat we iedereen opzij hebben ­geduwd, en op de rand van het bad ­zaten allemaal mensen klappertandend te wachten totdat ze ook even in het ­geneeskrachtige warme water mochten. We hebben al die mensen uit het bad gehouden, zodat we deze foto konden maken en aan jullie konden laten zien, zodat jullie bepaalde ideeën krijgen bij wat voor leven wij leiden. Een romantisch leven, waarvan jullie denken “hadden wij dat leven ook maar”, een leven waarvan je na de dia-avond denkt dat wij na dit fotomoment zijn gaan vrijen in dat thermaalbad. Maar de waarheid is natuurlijk dat het zoveel voeten in de aarde had om deze foto te maken, dat er bijna geen leven meer overbleef en dat we niet gingen vrijen in dat bad, maar op de rand van het bad gingen kijken naar onszelf op een scherm. En later, eenmaal in het hotel, deden we wel een poging, maar het lukte niet omdat we te zelfbewust waren.’
    Het is stil.
    Je pakt de schaaltjes om de borrelnootjes bij te vullen.
    Je gaat naar de volgende foto waar je alleen op staat.
    ‘Wat kijk je raar’, zegt je vader.
    ‘Ja, dat is mijn duckface.’
    Je vader weet niet wat het is. Dan weet je niet wat je moet zeggen, want hoe verwoord je dat je per ongeluk een fotogezicht hebt ontwikkeld dat je te pas en te onpas kunt opzetten. Het ­gezicht is niet zomaar een glimlach, maar zou evengoed de voorkant van een soft-erotisch tijdschrift kunnen zijn.
    Ik was van plan om een aanloopje te nemen en gewoon het bad in te springen. Door het opspattende water zouden dan alle camera’s beschadigd zijn en was iedereen op die manier bevrijd van de camera. Al die mensen hadden namelijk geen camera’s, de camera’s hadden hen.
    Ik deed het natuurlijk niet. Niet alleen omdat iedereen allerlei spullen had om z’n camera te beschermen tegen het water, maar ook omdat ik bang was dat mensen foto’s van mij zouden maken en ik er dan niet mooi op zou staan.
    Link naar de column in dS.

    13 juli 2020
  • Schrijven over schrijven in confrontatie met de dood

    Declaus theatertekstkritiek : ‘Zo gaat het’ van Freek Vielen


    Hij had dit jaar eigenlijk moeten spelen op Oerol, waar hij verleden jaar ook de première had beleefd. Maar door dingen buiten zijn wil, gaat dat niet. ‘Zo gaat het’ nu eenmaal in deze tijd. Freek Vielen (1985), artistiek leider van het Antwerpse theatergezelschap De Nwe Tijd, tast in zijn teksten  zijn twijfels af om aan het leven deel te nemen of niet, en zo ja, hoe dan. Ook vóór de coronatijd ging het vaak zo.

    De gepubliceerde volledige tekst van Zo gaat het (2019) heeft een ontstaansgeschiedenis in stukken gekend. In 2014 was er eerst So it goes on, een bewerking van Slaughterhouse 5 van Kurt Vonnegut, met de korte inhoud van het verhaal en met mijmeringen daarrond. Via tussentijdse opdrachten verbreedde en verdiepte Vielens theatertekst. Met steeds meer persoonlijke invullingen en ook met citaten uit Mijn strijd (deel 1 Vader en deel 2 Liefde) van Karl Ove Knausgård, uit Hoogteverschillen van Julian Barnes en uit Aan nederlagen geen gebrek van Arnon Grunberg.Freek Vielen citeert niet alleen, maar geeft ook duiding over het citaat, over het verhaal en over zijn keuze. Zijn persoonlijk verhaal over de dood van zijn moeder, begin 2018, is de kern van zijn bespiegelingen rond sterven, rond de zin en onzin van onze existentie, hoe daarmee om te gaan, en ook over de zin en onzin van het schrijverschap. Vonnegut, Knausgård en Barnes schrijven over hun schrijven en dat naar aanleiding van de confrontatie met de dood (respectievelijk de 150.000 doden bij het bombardement op Dresden, de dood van de vader, de dood van de levenspartner), en Vielen doet dat nu ook.

    Hij vertelt over de schrijvers, over hun houding tegenover leven, liefde en vooral dood en hoe de dood hun schrijven, hun visie beïnvloed en bepaald heeft. Hij vertelt over zichzelf, over de dood van zijn moeder. Hij citeert een paar regels uit het werk van Grunberg. Niet uit een werk waarin diens moeder en haar dood ter sprake komen, zoals de lezer/toeschouwer zou kunnen verwachten in deze context. Het citaat komt uit een brief die Grunberg al op zijn 21ste schreef en dat gaat over schrijven als verzet tegen de dood.Zo gaat het begint met een lang citaat uit Vader van Knausgård. Het zijn de eerste zinnen van diens opus magnum

    voor een hart is het leven simpel
    het slaat zolang het kan
    dan stopt hetvroeg of laat£
    zomaar op een dag
    houdt die pompende beweging vanzelf op

    In het boek van Knausgård staan de zinnen in regels achter elkaar. Het is een lange beschrijving van iemand die gestorven is. In de tekst van Vielen zijn het notities, in directe taal, in dichtregels, in witregels. Ik heb voorstellingen en lezingen van Vielen gezien en gehoord. Daardoor vermoed ik dat die woorden rustig, bedaard, berustend zullen klinken. Ik hoor als het ware de warme diepe stem van de bebaarde Vielen. Ik hoor hem duidelijk en helder denken. Alsof hij zich steeds afvraagt of het wel klopt wat hij gezegd heeft, of het wel juist is wat hij gaat zeggen.Het besef van een laatste hartslag maakt het leven niet simpel. En dat zet aan tot reflectie. Freek Vielen vertelt over de nacht van 3 februari 2018. Hij is op zijn vroegere zolderkamer, hij kan niet slapen, gaat naar beneden, sluipt langs zijn opgebaarde moeder, langs zijn vader,

    die naast haar slaapt
    op een stretcher van de Blokker

    Hij wandelt door de wijk doorzonwoningen, waar hij is opgegroeid, waar hij naar school is geweest. Hij zal ook nog aan een tekst moeten werken voor de afscheidsdienst. Wat volgen zijn beschouwingen over leven en dood, rationele gedachten, emotionele oprispingen, maar steeds in een traag ritme.

    langzaam haken flarden gedachten in elkaar
    klonteren samen
    als microben onder een microscoop
    die vol energie aan een eiwit knabbelen.

    Hij mijmert over de sterflijkheid van de mens in het algemeen en van die ene mens in het bijzonder, abstract extreem ver weg en heel concreet dichtbij. Hoe voelt iemand zich als een dierbare sterft? Om dat te verwoorden, zegt zijn vader, heb je een zeer goed boek nodig, geschreven door een zeer goed schrijver. En dat probeert Vielen. Via de boeken van Vonnegut, van Barnes, van Knausgård. Hij schetst hoe het bij Vonnegut 24 jaar heeft geduurd voordat hij kon schrijven over zijn trauma van het bombardement op Dresden. Dat had hij overleefd als Amerikaans krijgsgevangene omdat hij net buiten de stad in slachthuis 5 zat. 24 jaar duurde het voordat hij het personage Billy Pilgrim gecreëerd had. Pilgrim kan door de tijd reizen en belandt op een planeet met wezens als gootsteenontstoppers, voor wie heden, verleden en toekomst samenvallen. Er valt voor hen niet aan de gebeurtenissen te ontsnappen, niet aan het gepredestineerde lot, niet aan de dood. ‘Zo gaat het’, zeggen ze steeds weer. Billy Pilgrim neemt dat over. Ook Freek Vielen kan zich daarin vinden. Hij haalt herinneringen op over vroeger, van gesprekken en vroegere ideeën. Zo ging het. Zo gaat het nu eenmaal.Karl Ove Knausgård denkt ook na over het schrijven, het leven, de liefde en de dood, en schrijft en schrijft en heeft meer dan 4000 bladzijden nodig om eindelijk te kunnen genieten.

    echt genieten
    van het idee dat ik geen schrijver meer ben

    Knausgård is iemand die zich wel wil losmaken van de berusting in het leven, maar of het lukt? Ook daarin vindt Vielen zich. Julian Barnes brengt in Hoogteverschillen (2013) de geschiedenis van de luchtvaart en de dood van zijn geliefde samen. Barnes heeft het over de vier jaren rouw na de dood van zijn vrouw. Zolang duurde het voor hem om hoogteverschillen te overbruggen. Je hebt tijd nodig om scheidslijnen, keerkringen te kunnen passeren. Om te kunnen zeggen over zijn vrouw:

    ze leeft niet meer
    maar bestaat nog wel

    waaraan Freek Vielen direct toevoegt:

    wat ik een betoverend mooie zin vind

    ‘Betoverend’, het woord is gevallen. Betovering is wat Freek Vielen mist. Sinds de Verlichting is de wereld ‘onttoverd’ (in de woorden van de grondlegger van de sociologie Max Weber). We kunnen heel veel verklaren en begrijpen wat er in de wereld gebeurt, hoe we iets kunnen veranderen, maar de ratio geeft geen sluitend antwoord op de grondvraag van onze existentie: waarom leven we? De ratio alleen kan liefde, leven en dood niet uitleggen. De mens is niet geschikt om onttoverd te leven. Er volgen bespiegelingen en flarden gesprekken over hoe kunstwerken proberen grip te krijgen op het leven en de eenzaamheid.

    En dan volgt zoals in een klassieke tragedie de peripetie: de protagonist leest de woorden van Arnon Grunberg.

    mijn schrijven komt uit niets anders voort
    dan verzet, schrijft hij
    het is verzet tegen de dood –
    existentieel verzetik ben met mijn geboorte
    ter dood veroordeeld
    maar met mijn pen krab ik aan de spijlen van mijn celschrijft hij

    Het klinkt als een bezwering. De mens leeft door opstandig te zijn. Dat is het. Of niet? Hoe doe je dat, als individu in een mensenmassa, als schrijver, als kunstenaar? Freek Vielen lijkt schoorvoetend ook voor zichzelf die richting van het schrijven als verzet uit te willen gaan.Het neoliberalisme, de onttovering, verkondigt dat iedereen zijn eigen keuzes kan en mag maken, dat iedereen zelf verantwoordelijk is voor zijn daden, maar wat kan een mens doen, die zich voelt als iemand die in een zeilbootje een olietanker van koers wil laten veranderen. Vielen vraagt zich af, of hij met zijn schrijven als een spreeuw zou willen zijn. Een spreeuw in een zwerm die naar links zwenkt en dan plots omhoog. In een ballet dat ontstaat doordat de ene spreeuw zijn buurman in de groep volgt, maar ook wat richting geeft. Even naar links duwen, en de groep gaat naar links. Zo kun je de koers van het leven wel een duwtje geven. Ook in het individueel verwerken van verdriet, in het omgaan met leven en dood. Gaat dat zo wel? Door als een spreeuw te vliegen in een spreeuwwolk, door een goed boek te schrijven, door de krabben aan de spijlen van de existentie?Met Zo gaat het schreef Vielen een overtuigende theatertekst. Ik kijk enorm uit naar de opvoering, om zijn stem te horen, om muzikant Harald Austbø te horen, om live de queeste, de duwtjes mee te beleven, daarvan te genieten, mee in de twijfel te gaan.Tuur Devens, 6 juli 2020.Zo gaat het van Freek Vielen is uitgegeven door De Nieuwe Toneelbibliotheek (boekje 521).

    Een link naar het online artikel.

    7 juli 2020
  • Maandelijkse column van Freek Vielen in e-tcetera

    Kan kunstkritiek meer zijn dan de mening van een professioneel recensent? In een nieuwe maandelijkse column laten theatermaker Freek Vielen (De Nwe Tijd) en curator/schrijver Lara Staal afwisselend hun licht schijnen op een topic dat hen bezighoudt.

    Toen ik zeventien jaar geleden vanuit Groningen naar Antwerpen verhuisde, had ik niet voorzien dat dat mijn leven zo ingrijpend en zo blijvend zou veranderen. Vorige zomer al was ik exact mijn halve leven Nederbelg, wat betekent dat ik nu, op dit moment, zo werkt tijd nu eenmaal, alweer langer wel dan niet in Vlaanderen vertoef. En goed, ik juich nog steeds voor Ajax, lees nog evenveel Nederlandse als Vlaamse kranten en mijn uitspraak heeft waarschijnlijk ook haar maximum aan fluisterende zachtheid bereikt, maar als het op mijn vak, op de toneelkunst, aankomt, dan kan ik niet anders zeggen dan dat ik vrij volledig ben geïntegreerd, zo niet geassimileerd. Het Vlaams Belang zou trots op me kunnen zijn. Niet dat het dat gaat doen, maar het zou kunnen.

    Het is natuurlijk onmogelijk om allemaal precies na te plooien en terug te rekenen, en er zijn altijd andere en meer factoren aan te wijzen, maar ik denk dat ik niet overdrijf als ik zeg dat Lucas Vandervost een grote rol heeft gespeeld in het feit dat ik niet alleen tijdens mijn studie in Antwerpen bleef, maar ook dat ik er in de dertien daaropvolgende jaren nooit echt vertrokken ben.

    Ik ontmoette hem als gastdocent in mijn eerste jaar aan de opleiding Woordkunst. We deden Neruda, wat betekende dat we ons samen met hem in kleine groepjes uren achter elkaar over Neruda’s gedichten bogen, lijnen trokken en aan de zegging waagden. Ik weet nog dat het als een enorme luxe voelde om dat zo zonder schaamte zo geduldig te mogen doen.

    Lucas Vandervost © Raymond Mallentjer

    In het tweede jaar werd hij hoofddocent en begon hij samen met Marleen Vertongen en een hele reeks zeer betrokken docenten aan de modernisering van de opleiding die op dat moment in de wandelgangen op zijn zachts gezegd geen bijster goede naam had. Kwamen er in mijn tijd nog vooral mensen auditie doen die niet aangenomen waren op de toneelscholen, de laatste jaren zie ik ze bijna niet meer: woordkunststudenten die eigenlijk acteur willen worden. Ze worden het soms, dat wel, maar ze worden evengoed documentair theatermaker, essayist, radiopresentator, stadsdichter, of ze richten een tijdschrift of audiocollectief op.

    We leiden geen mensen op voor het werkveld, we leiden mensen op die het werkveld veranderen, was jarenlang één van Lucas zijn adagia.

    Het zijn dat soort gedachten waardoor ik aan Lucas, aan de school en daarmee dus ook aan Vlaanderen bleef plakken. Maar hoe langer ik bleef hoe groter de kloof naar het Nederlandse theaterveld leek te worden. Als ik met oudere acteurs en theatermakers spreek, herinneren zowel de Nederlanders als de Vlamingen zich nog goed de uitgebreide tournees aan de beide zijden van de taalgrens, maar die tijden lijken zo goed als voorbij.

    Vorig jaar nog schreef Hein Jansen, al jarenlang een van de meest toonaangevende recensenten van Nederland, dat hij quasi niemand van de selectie voor het Vlaamse Theaterfestival kende. Iets wat hem niet leek aan te zetten tot stante pede een trein en hotel te boeken om zich tien dagen over te geven aan wat Vlaanderen achter zijn horizon te bieden heeft op dit moment. Nee, er sprak eerder berusting uit zijn bericht: we waren ooit goede vrienden, maar nu zijn we uit elkaar gegroeid en kennen we elkaar eigenlijk niet zo goed meer.

    En  doordat we zo met de ruggen naar elkaar toe zijn gaan leven, moet ik altijd flink schakelen als ik als Vlaams theatergezelschap op dit moment aan officiële vergadertafels zit om te spreken over grensoverschrijdende coproducties. Dat heeft niets te maken met de mensen die er in Nederland werken, maar alles met het subsidiesysteem dat daar de afgelopen tien jaar zo is uitgehold dat het theaterbestel soms murw lijkt geworden van het gaten vullen en pleisters plakken.

    Je merkt het aan de begrotingsbesprekingen waarbij er geteld wordt in dagen, soms halve dagen, soms zelfs uren. Je merkt het aan ontvangende theaters waar zoveel is bezuinigd dat ze nauwelijks publiciteit kunnen maken, waardoor de zalen leger worden. Je merkt het aan de grote hoeveelheid zelfstandigen omdat er te weinig geld is om mensen in dienst te nemen. En je merkt het helaas ook aan de makers, die in hun plannen meedenken met de geldstromen.

    Soms bekruipt mij dan het gevoel dat er in Nederland eigenlijk helemaal geen kunst meer wordt gesubsidieerd. Gewoon niks meer. Hoogstens dat de overheid met frisse tegenzin bijspringt om een willekeurig onrendabel product net break-even te kunnen laten draaien.

    In weerwil van die tegenzin verwacht de overheid nogal wat return on investment. Dat de kunst problemen oplost bijvoorbeeld. Dat het te zien is in heel het land. Dat het de integratie bevordert. Maatschappelijk relevant is. Private middelen aantrekt. En het liefst mee op handelsmissies kan. Die steeds uitgebreider wordende wensenlijst rechtvaardigen ze door te zeggen dat er nu eenmaal te weinig geld is om iedereen te subsidiëren en dat ze daarom dus moeten selecteren op bijkomende zaken.

    Toch lijkt het me sterk dat die wensenlijst zou verdwijnen als er geen budgetschaarste zou zijn. Onder al die bijkomende subsidievoorwaarden ligt namelijk een hardnekkiger geloof. Het geloof dat kunst niet voldoende waard is om als kunst te worden gesubsidieerd. Het moet nut hebben, een probleem oplossen, ergens toe dienen.

    Een bevriende theatermaker zei dat hij in zijn subsidieverantwoording moest schrijven wat hij van de productie geleerd had. Serieus. Dat was een echte vraag voor echte kunstsubsidie. Bij ontwikkelingssubsidie zou ik dat nog begrijpen, maar dat zo’n vraag gesteld wordt aan iemand die al 25 jaar theater maakt, lijkt mij toch vooral het failliet van de kunstensector aan te tonen. Wat verwachten ze dat je daar op antwoordt? Dat je hebt geleerd dat liefde een bedrieglijke vriend blijkt te zijn? Dat het leven zinloos is, maar dat je wel je beste beentje voor moet zetten? Dat we niks echt zeker kunnen weten, maar dat je dat niet ontslaat van je plicht om standpunt in te nemen? Of moet je iets schrijven over hoe je de volgende voorstelling nog beter kan maken, nog goedkoper, nog efficiënter, nog succesvoller, nog groter zodat ze ten lange leste dan toch eindelijk op eigen benen kan staan?

    De vraag reduceert kunst tot haar karikatuur. Het maakt haar tot een hobby. Tot iets wat de kunstenaar, Zieke Ziener die hij is, nu eenmaal gedoemd is om te doen. En de barmhartige overheid wil voor de zielenrust van de maker dan wel even als sociaal vangnet dienen. Zolang hij er op den duur maar van geneest. Of op zijn minst er nu iets aan heeft. Terwijl kunstsubsidie natuurlijk niets te maken heeft met de persoonlijke ontwikkeling van de kunstenaar. Het is gewoon geld van de gemeenschap, dat de gemeenschap uitgeeft omdat de gemeenschap vindt dat er in de gemeenschap kunst moet zijn – en dat systeem dat duurzame, kwalitatieve en diverse kunst mogelijk kan maken, kan er alleen komen als de gemeenschap dat gemeenschappelijk betaalt.

    Daarin zit misschien wel het echte verschil. In Vlaanderen lijkt de gemeenschap nog kunst te willen. Zelfs de rechtste politici (Vlaams Belang buiten beschouwing gelaten) zeggen nog onomwonden dat kunst belangrijk is. Daar zal de taalstrijd voor iets tussen zitten, en ik weet dat ook in Vlaanderen de populisten en de neoliberalen zich constant aan het warmlopen zijn om de toekomst naar hun kant te trekken, maar het contrast met het Nederland van vandaag is schrijnend.  Deze week nog zei de kandidaat-lijsttrekker van de Nederlandse Christelijke middenpartij dat zij geen voorstander is van kunstsubsidie aangezien zij zelf vooral inspiratie, rust en bezieling haalt uit hardlopen en dat hardlopen toch ook geen subsidie krijgt.

    Maak maar iets waar niemand op zit te wachten, zei Lucas vaak tegen de masters. Niet omdat hij wou dat ze zich uit de wereld terugtrokken, maar wel om de neiging om te hengelen naar goedkeuring te onderdrukken en de studenten uit te nodigen om hun eigen stem, met hun eigen stemrecht, te ontdekken. Ik vraag me af hoeveel Nederlandse toneelscholen dit nog tegen hun studenten durven te zeggen. Maak maar iets waar niemand op zit te wachten. Of hoeveel fondsen daar geld voor durven te reserveren.

    Het afgelopen jaar ben ik meermaals ontroerd geweest door de collectiviteit van het Vlaamse kunstenprotest. Het was moeilijk uit te leggen in Nederland dat er weliswaar bezuinigd werd op het hele kunstenveld, maar dat de massale woede zich vrij specifiek richtte op het onnadenkende besluit, de ondoordachte faux-pas van de regering om plots 60% uit de projectsubsidiepot te halen. De grote huizen, de gevestigde namen, de jonge makers, de toneelschoolstudenten, de directies, de theaterjournalisten – ik heb ze allemaal op de protesten gezien. Zelfs Ivo van Hove, notoir zwijgzaam in Nederland als het gaat om subsidieverdelingen, schreef vanuit New York samen met Anne Teresa de Keersmaeker een goede brief over het belang van projectsubsidie.

    Daarom hou ik van Vlaanderen. Omdat er op elk niveau gevochten lijkt te worden voor het belang van kunst. Omdat er zo’n groot collectief bewustzijn is van de neoliberale afgrond die ons te wachten staat als we verder blijven opschuiven naar rechts. Omdat er zoveel verzet is.

    Het is dat verzet, dat koppig verzet, gecombineerd met de grote onvoorwaardelijke liefde voor taal en kunst waardoor ik altijd van Lucas zijn werk heb gehouden.

    Vorige week vertelde hij aan de huidige studenten Woordkunst dat hij stopt met lesgeven. Na vijftien jaar het artistieke hart te zijn geweest van de opleiding zal hij in het nieuwe jaar niet terug komen. Ik weet niet precies wat hij nu gaat doen, hij zelf waarschijnlijk ook niet, maar nadat hij vijf jaar geleden zijn toneellevenswerk heeft doorgegeven, sluit hij nu zijn tweede artistieke levenswerk af.

    In de afgelopen jaren heeft hij in zijn onderzoeksproject De hiel van Kuifje alles proberen op te schrijven wat hij weet over zijn manier van theatermaken. Ik zou bidden dat iemand hem nu zou vragen om alles wat hij te zeggen heeft over het hoger kunstonderwijs onder woorden te brengen. En dat hoeft niet per se in een tweede doctoraat, maar dat mag ook gewoon in de krant of bij een koffie – zolang het maar niet verloren gaat.

    De link naar het artikel in e-tcetera.

    7 juli 2020
  • De Nwe Tijd neemt op 3 juli 2020 met het Requiem deel aan het 24-hour Global Art Carrousel van het NITE Ensemble.

    Ruim 200 kunstenaars van over de hele wereld werken een etmaal lang samen om geld in te zamelen voor Artsen Zonder Grenzen. Op het programma staan onder andere ook: Batsheva Dance Company, Hong Kong Ballet, La Mama New York, Schaubühne Berlin, Barak Marshall, Het Nationale Theater, Polish Dance Theatre Poznan en meer.

    De 24-uur marathon stream begint om 20u en duurt tot zaterdag 4 juli 20u. Het programma en de live-stream zijn te bekijken via: www.nite.nl/24hour,

    Het Requiem staat geprogrammeerd om 23u50.

    3 juli 2020
  • Het nieuwe theaterseizoen 2020-2021 komt eraan. Ook voor De Nwe Tijd. We laten de komende week onze voorstellingen op jullie los. We beginnen morgen 10 juni 2020. Houd onze website en Facebook in het oog.

    9 juni 2020
  • Wekelijkse column in ds Weekblad

    Het spijt me was vroeger een van mijn lievelingsprogramma’s op de Neder- landse televisie. De redactie bracht op verzoek een bloemetje langs bij mensen tegen wie sorry gezegd moest worden. De presentatrice zei altijd dezelfde zin: ‘Namens Het spijt me willen we je graag een bloemetje aanbieden.’

    Er waren mensen die meteen de deur dichtgooiden. Je had mensen die heel erg geraakt waren en de hele cameraploeg op de koffie uitnodigden, maar ook had je mensen die niet wisten van wie dat bloemetje in godsnaam zou komen. Dan moesten ze raden. Soms noemden ze wel tien namen en kwamen ze nog niet bij de spijtbetuiger in kwestie uit.

    ‘Nee?’

    Dat was een wonderlijk fenomeen, en ook treurig, want het betekende dat de bloemetjesgever ergens mee had ge-zeten wat echt he-le-maal niet erg bleek.

    Het betekende ook dat er veel meer mensen waren die eigenlijk een brief naar Het spijt me hadden moeten sturen en dat niet gedaan hadden.

    De uitzending bestond uit mensen die op televisie gingen uitleggen wat ze verkeerd hadden gedaan, vervolgens werd het bloemetjesmoment getoond, en de finale stap was een eventuele verzoening in de studio. Achter een grote gouden deur zou de ander misschien staan. De presentatrice vroeg altijd eerst of ze dachten dat de ander er stond, waarop de bloemetjesgever zei: ‘Ik hoop het zo.’ Heel traag schoof de deur open en vaak stond er niemand, terwijl alle camera’s op het gezicht van de bloemetjesgever stonden. Die begon meestal te huilen. ‘O … heel jammer. Heel jam-mer.’

    Een tijd geleden dacht ik dat het misschien goed zou zijn om een omgekeerde versie van Het spijt me te maken. Ik had het idee om met een groepje vrienden een busje te huren en langs iedereen te gaan die een van ons nog wat uit te leggen heeft. Mensen die ons ooit zonder reden uit een vriendengroepje hebben gezet, die een van ons jarenlang ‘vieze homo’ hebben genoemd, die een afschuwelijke roddel over ons hebben verspreid, onze gymtas hebben verstopt en zelfs een enkele keer geslagen.

    We zouden met dat busje langsgaan, iemand van ons zou uitstappen met een pot blauwe verf en zeggen: ‘NamensHet spijt jou gooien we deze blauwe verf over je heen.’ En vervolgens zou er een uitleg komen over wat die persoon ons had aangedaan.

    Ik heb getwijfeld om hier namen te noemen, maar zag daarvan af omdat ik dacht: wie de schoen past, trekke hem aan. Maar misschien laten de Black Lives Matter-protesten en het jarenlange gevecht tegen racisme vooral zien dat wie de schoen past, hem doorgaans helemaal niet aantrekt. Er was een versie van deze column waarin wel namen stonden, maar ik geneerde me zo voor het feit dat ik die mensen nog steeds meedraag, dat ik er niet over peins om die hier op te schrijven.

    Het busje zou trouwens niet alleen een tour doen langs alle mensen die ons iets hebben aangedaan. We zouden ook langsgaan bij alle mensen die wij een uitleg verschuldigd waren, die mochten dan blauwe verf over ons heen gooien. En het leek me wel wat om een onderscheid te maken tussen diepe spijt, diepere spijt en diepste spijt. Hoe dieper de spijt, des te moeilijker de verf te verwijderen zou zijn. En de duur van je azuurblauwe hoofd zou dan iets zeggen over hoe diep je spijt wel niet was.

    Rebekka de Wit is schrijver en theatermaker.

    Verschenen op zaterdag 4 juli 2020

    Link naar de column

    9 juni 2020
  • Freek Vielen leest Sam Sheppard voor ds Letteren.

    Man, je bent toch geen 14 meer

    Van de betreurde Amerikaanse toneel- en romanschrijver Sam Shepard verscheen zopas het bejubelde The one inside in Nederlandse vertaling. Freek Vielen las het werk van dit icoon in zijn vakgebied en hoorde een stem ‘naar wie ik eigenlijk niet wil luisteren’.

    Zaterdag 30 mei 2020 om 0.00 uur

     

    ‘Als je vijftig jaar zijn legendarische coolheid hebt bekeken, geloof je dat hij over the right stuff beschikt, of je gelooft van niet.’ Dat is de openingszin van de bespreking in The Washington Post van The one inside van de Amerikaanse schrijver en acteur Sam Shepard die in 2017 op 73-jarige leeftijd overleed. De Amerikaanse recensenten zijn er nagenoeg allemaal van overtuigd dat Shepard beschikt over the right stuff. Ze lezen met een welwillendheid alsof hun favoriete buurtbistro een nieuw gerecht op de kaart heeft.

    Ik heb de luxe van die jarenlange vertrouwdheid met Shepard niet. Als ik hem google, herken ik zijn gezicht van een paar films, maar als er mij tijdens een pubquiz zou zijn gevraagd welke toneelschrijver er na Shakespeare het meest wordt gespeeld in de VS, had ik het antwoord schuldig moeten blijven. Wellicht dat Arthur Miller of Eugene O’Neill in mijn hoofd zouden zijn opgepopt, maar die namen zouden me geen punten hebben opgeleverd. Sam Shepard, ook bekend als theater- en filmacteur, blijkt met moderne klassiekers als Buried child en True West de populairste toneelschrijver van de VS te zijn.

    Nu ik The one inside van 2017 lees, pas vertaald als Die vanbinnen, snap ik dat ergens wel. Het boek bestaat uit een losse verzameling van notities, herinneringen, dromen en dialogen. Zowel in die dialogen als in de notities verraadt Shepard zijn toneelachtergrond. Zijn proza beschrijft niet, maar noteert. In zinnen van drie, vier woorden, soms nog korter, vertelt hij wat hij ziet. ‘Hij is wakker – 5 over 5 ’s ochtends. Aardedonker. Coyotes in de verte. Moeten het wel geweest zijn. Hij is in ieder geval wakker.’ Het zijn beschrijvingen die uitnodigen om op het podium uitgesproken te worden, vooral omdat de beschrijver meedoet met het verhaal, en zo – door te spreken – personage wordt.

    Je mag me vooringenomen noemen, of burgerlijk, maar ik had geen zin meer om te horen over zijn vijftig jaar jongere vriendin

    Ook de dialogen lijken uit een toneelscript te zijn weggelopen. Zonder bijkomende gedachten, zonder beschrijvingen, zelfs zonder aanduiding van wie er aan het woord is, staan de zinnen als kale dialoog afgedrukt. Het zijn precies het soort dialogen waarvan toneelspelers houden, heb ik gemerkt: veel ingehouden emotie, duidelijk van sfeer en direct van taal.

    Taboe!

    Het verhaal van Die vanbinnen cirkelt losjes rond de herinneringen, dromen en belevenissen van een bijna 70-jarige acteur/schrijver die in een trailer in het zuiden van Amerika woont. In de kantlijn schrijf ik dat ik vooral lees om iemands stem te leren kennen, of dat nu van de schrijver of van een personage is. Tachtig pagina’s verder noteer ik: ‘maar wat als het de stem is van iemand naar wie je eigenlijk niet wil luisteren?’.

    Het hoofdpersonage is samen met een jong meisje met wie hij wel/niet naar bed wil gaan en dat uiteindelijk wel/niet doet. Hij noemt haar Chantage Meisje omdat zij hun gesprekken heeft opgenomen en als literatuur wil uitgeven, wat hij onzin vindt. Ondertussen denkt hij vaak aan Felicity, een 14-jarig meisje dat met zijn vader naar bed ging. (‘Ze gilde het uit als een konijn in de val als ze achterstevoren op mijn vaders lul zat.’) Later verdween de vader en verleidde ze hem. Hij was toen 13 en wist zich geen raad met zijn verlangens en zijn angsten. ‘Ze begon te gillen en dezelfde geluiden te maken die ze de eerste keer met mijn vader gemaakt had.’

    Floor von Dülmen Kumpelmann

    ‘De volgende morgen verschijnen Chantage Meisje en ik op de set. Iedereen leek stomverbaasd en vooringenomen. Zelfs in dit tijdperk van vrijgevochten zelfingenomenheid veroorzaakt het achterdocht – een bijna zeventigjarige man met een twintig jaar oud meisje. Taboe!’ en ik denk: ja. Je mag me vooringenomen noemen, of burgerlijk of wat dan ook, maar ik had geen zin om meer te horen over zijn vijftig jaar jongere vriendin en zijn steunende onvermogen om zich te verbinden met iemand.

    Het gaat er daarbij niet eens zozeer om de vraag of ik de daad moreel afkeur of niet. Het gaat vooral over het totale gebrek aan introspectie van het personage. Zijn voortdurende slachtofferschap. Zijn slappe houding. Dat hij haar Chantage Meisje noemt alsof niet hij, maar zij de touwtjes in handen heeft. Vijftig jaar na de feiten presenteert hij zich nog steeds als het slachtoffer van de zelfmoord van Felicity op 14-jarige leeftijd.

    Niet voor mij

    Ik dacht tijdens het lezen geregeld wat ik sinds #MeToo al zo vaak heb gedacht. Vooral bij moeizame excuses van mannen die op hun gedrag werden aangesproken. Je bent geen 14 meer, dacht ik. Word volwassen en neem je verantwoordelijkheid. Naar het einde toe kon ik het afwezige gemompel niet meer horen; het was me niet gelukt om empathie laat staan sympathie te ontwikkelen voor deze stem. Het zwijgzame noteren van de ik-figuur, het peinzen, met een grasspriet in de mond over de prairie staren: het begon me dusdanig tegen te staan, dat de tekst voor mij verschrompelde tot nep en alsof, tot gewilde pijn en ingebeelde diepzinnigheid.

    Ik voel steeds sterker het verlangen om de laatste boeken van Donald Hall te herlezen: Notes nearing ninety en Essays after eighty. Donald Hall is een groot Amerikaanse dichter en kinderboekenschrijver die in de laatste jaren van zijn leven in hoofdstukjes zijn dagen als tachtiger en bijna-negentiger beschrijft. Het goede van Hall is dat hij in zijn boeken voortdurend zijn eigen leeftijd is. En vanuit die leeftijd kijkt hij met grote scherpte naar de wereld en zijn eigen leven. ‘Je bent oud als de ober je niet zegt dat je de menukaart ondersteboven hebt’, schrijft hij. ‘Je bent oud als je gokt dat het zondag is, omdat er geen post komt.’ Hij schrijft over zijn kunstgebit, over de kleren die hij niet meer aandoet, maar net zo goed en ontroerend over collega-schrijvers, over de twee vrouwen met wie hij getrouwd is, en ja – ook over zijn fouten die hem nog altijd kwellen.

    Een groot verschil is dat Donald Hall vooral ook heel erg grappig is. Waar Die vanbinnen gedrenkt is in ernst, moet ik bij Hall geregeld hardop lachen en krijg ik ook zin om de teksten voor te lezen. Is het dan vooral het gebrek aan humor waardoor het boek van Shepard me zo afstootte? Ik weet het niet. Misschien is het simpeler. Misschien beschikt Shepard voor mij niet over the right stuff. Misschien komt het erop neer dat ik vooral lees om mezelf scherper te zien.

    Als dat zo is, dan is Die vanbinnen geschreven voor mensen die om andere redenen boeken lezen. Of voor hen die zich herkennen in de legendarische coolheid van een zwijgzame cowboy, die eenzaam rondjes rijdt tussen coyotes, jonge meisjes en afwezige vaders.

    Sam Shepards Die vanbinnen is uit bij uitgeverij Nobelman.

    Freek Vielen (35) is theatermaker en -schrijver bij De Nwe Tijd.

    1 juni 2020
  • Wekelijkse column van Rebekka de Wit in ds Weekblad.

    Of het goed komt

    (Zaterdag 30 mei 2020 om 0.00 uur)

    ‘Bijna nooit’, zei hij.

    Aan de oudste vriend (in leeftijd en duur) van mijn vader vroeg ik wanneer het gepast is om te zeggen dat het goed komt. Hij is theoloog, lijkt sprekend op de Grote Vriendelijke Reus en heeft een computer waarin hij een floppygleuf liet bouwen. Hij leek me de meest geschikte kandidaat om dat aan te vragen.

    Vroeger, toen ik een jaar of zestien was, vond ik het beledigend als mensen suggereerden dat ‘alles uiteindelijk goed komt’. Er gingen familieleden om mij heen heel plotseling dood en ik weigerde aan te nemen dat de dingen na hun dood toch nog goed zouden kunnen komen. Ik koesterde mijn ontroostbaarheid, als eerbetoon aan de doden. Achteraf vind ik het moeilijk te zeggen of ik die houding had geadopteerd uit ‘Funeral blues’, het beroemde gedicht van W. H. Auden, maar feit is dat ik het gedicht kende voordat de doden vielen en ik de laatste strofe vaak heb gemompeld op gepaste gelegenheden: Pour away the ocean and sweep up the wood; For nothing now can ever come to any good.

    Omdat ik dat een tijdlang de enige aanvaardbare houding vond ten opzichte van het leven en zijn bijbehorende dood, heb ik het nooit in mijn hoofd gehaald postkaartjes te sturen naar rouwende mensen met plaatjes die suggereren dat het goed komt (een bloemenveld), teksten die dat suggereren (‘Ik stuur je positiviteit en kracht’), of boeken die je verdriet van je proberen af te pakken (‘Positief rouwen’).

    Maar toen ik een aantal jaar geleden iemand vertelde over mijn gebroken hart en niet zag hoe dat ooit goed moest komen, zei die lachend: ‘O, lieverd, het komt heus goed.’ De opluchting die ik voelde, verbaasde me hogelijk. En ik vroeg me af of ik met mijn principiële ­ontroost­baarheid mijn omgeving al die jaren de opluchting had ontzegd die mij nu ten deel viel.

    ‘Bijna nooit is misschien overdreven’, ging de Grote Vriendelijke Reus verder. ‘Er zijn momenten dat je dat moet zeggen, om de wanhoop een beetje in te dammen, maar herrijzenis is pas mogelijk na de kruisiging, als je snapt wat ik bedoel.’

    Ik knikte, hoewel ik niet zeker wist of ik het begreep.

    ‘Als ik in deze crisis filmpjes zie van jonge mensen die liedjes zingen met teksten als “we slaan ons er wel doorheen”, dan is dat een aanfluiting. Heel veel mensen slaan zich er helemaal niet doorheen. Soms is je ontroostbaarheid het enige wat je nog hebt na een ramp. Daar moeten mensen dan van afblijven. En natuurlijk komt het goed. Maar soms komt het goed ­zoals het goed kwam met Hiroshima. Er was een Hiroshima voor de bom en na de bom.’

    Het deed me denken aan een beeld uit het boek Hoogteverschillen van Julian Barnes, waarin hij schrijft over het jaar na de dood van zijn vrouw. ‘Mensen zeggen je komt er ook weer uit. Dat klopt, maar je komt er niet weer zo uit als een trein uit een tunnel … Je komt eruit als een meeuw uit een olievlek; je bent voor je leven met pek en veren besmeurd.’

    Een paar weken geleden overleed de Grote Vriendelijke Reus (en omdat hij niet in een standaardkist paste, moest er eentje op maat worden gemaakt). Ik mocht op zijn begrafenis komen en we zongen met z’n vijftienen een ‘lied aan het licht’, wat ik niet kende, waardoor ik er niet in slaagde van het refrein ‘dat wij allen zo zwaar en droevig als wij zijn, niet uit elkaars genade vallen’ muziek te maken.

    Ik liep naar huis en dacht aan het laatste wat hij tegen mij zei. Het komt heus wel goed. Maar nu nog even niet.

    Rebekka de Wit is schrijver en theatermaker.

    1 juni 2020
  • Een interview met Rebekka de Wit in ds Weekblad.

    ‘Mijn werk is een poging om te zeggen: waar is iedereen?’

    ‘Politiek eenzaam.’ Zo voelt Rebekka de Wit zich als ze hoort over de Brexit, Trump en de arrogantie waarmee grote bedrijven opereren. ‘Ik heb veel last van de toestand van de wereld.’
    (Door Eva Berghmans Foto’s Alexander Meeus
    Zaterdag 30 mei 2020 om 0.00 uur)

    ‘Wij veroorzaken elkaar.’ Rebekka de Wit (°1985), schrijver, theatermaker en nu ook wekelijkse columniste voor ds Weekblad, had de coronacrisis niet nodig om te beseffen dat we als samenleving veel meer op elkaar aangewezen zijn dan we graag toegeven. Ze schreef die zin al in 2015, in We komen nog één wonder tekort, een als roman vermomd relaas van een kampeervakantie die ze als tiener met haar vader, broer en zus ondernam, net na de dood van haar moeder, en de dood van de verloofde van haar zus. Het is een rouwboek dat niet als een rouwboek leest, eerder als een liefdevol portret van een geamputeerd gezin, een gezin met ‘talent voor humor en verdriet’. Over de doden wordt amper iets gezegd, en het verdriet laat zich slechts zien tussen de anekdotes over de snackbar, de opblaaskrokodil en de tentstokken door.

    Het is in dat ontroerende boekje dat De Wit het idee opvat, na een gesprek met een brallerige Amerikaan die ­pocherig doet over de Onafhankelijkheidsverklaring, om een Afhankelijkheidsverklaring te schrijven. Die verscheen vorig jaar, in de vorm van een verfrissende essaybundel. Tastend en zoekend plaatst de Wit vraagtekens bij het belang dat onze wereld hecht aan onafhankelijkheid, en hoe dat belang zich vertaalt in onder meer de vreugde van de doe-het-zelver en het borstgeroffel van de buurman die de verzekeringen oplicht omdat hij nu eenmaal weet ‘hoe de wereld in elkaar zit’ – een zelfgenoegzaamheid waar de jonge Rebekka treurig van wordt.

    ‘Ik voelde intuïtief al een hele tijd dat er schoonheid zit in erkennen dat we afhankelijk zijn van elkaar’, zegt De Wit. ‘Sinds ik moeder ben, is dat gevoel een zekerheid geworden. Er zit zo’n mooie dwingendheid in het hier en nu van mijn lichaam en dat kleine lichaam dat mijn aandacht nodig heeft. Ik zie ook hoezeer ik anderen nodig heb, familie, vrienden, opvang. Het verbaast me dat de adviezen die je als moeder krijgt zo individueel zijn. Je hoort zo vaak hoe belangrijk borstvoeding voor de baby is. Waarom zegt niemand dat het ook belangrijk is om te zorgen voor je buren? Om op te komen voor kinderen die gepest worden? Soms denk ik dat dat meer zou betekenen voor mijn dochter dan dat ze borstvoeding krijgt. Een kind krijgen is geen individuele, gedepolitiseerde daad. Afhankelijkheid wordt heel tastbaar. Ik kan het me niet permitteren aan de zijlijn te gaan staan.’

    Enkele weken voor dochter Rivka ­geboren werd, begin dit jaar, verruilde Rebekka de Wit haar woonwagen in ­Amsterdam voor een huis in Zaandam. Ze ging samenwonen met haar geliefde, de bioloog Thomas Oudman, die binnenkort over de ecologie van ons eten publiceert op het journalistieke platform De Correspondent. Zaandam is de stad waar De Wit haar tienerjaren doorbracht (ze werd uit Nederlandse ouders geboren in Chili, waar ze tien jaar woonde). Terugkeren naar Zaandam deed ze vanwege de ‘immorele’ woningprijzen in Amsterdam, en met gemengde gevoelens: de Noord-Hollandse stad is de plek die haar het gevoel gaf dat ze tot een ‘uitstervende diersoort’ behoorde. ‘Ik was het haast vergeten, Zaandam was voor mij vervaagd tot een lenteachtige herinnering. Pas toen ik mijn dochter voor de eerste keer naar de opvang bracht, dacht ik: shit, wat heb ik gedaan? Ik hoorde het Zaanse dialect en besefte dat ook zij hier gaat opgroeien, en hoe lastig het hier is als je niet mag meespelen in de zandbak.’

    De Wit typeert Zaandam als ‘één grote Action’, waar een ‘niet-lullen-maar-poetsen-mentaliteit’ heerst. Tussen al die mannen en vrouwen die van aanpakken weten, was zij het meisje met de twee linkerhanden en een hang naar het artistieke, het omfloerste. ‘Ik heb meer gêne in me dan de doorsnee-Nederlander. Dat heel directe, dat nuchtere van Nederland, daar houd ik niet zo van. Ik houd er meer van als de dingen wat abstracter zijn. In mijn werk heeft nooit iemand een naam, ik heb liever een “zij” of een “ik”. Toen ik in Antwerpen aan de toneelschool ging studeren, voelde ik me thuiskomen. Mijn taal is gevormd door België, het heeft voor mij altijd gevoeld alsof jullie gedoemd zijn tot het artistieke. Ik ben een echte ­Nederbelg, mijn theatergezelschap De Nwe Tijd zit in Antwerpen.’

    Sinds de grenzen dichtgingen vanwege corona, drie maanden nadat De Wit haar dochter had gekregen, is ze niet meer in België geweest. Ze mist het, zegt ze, zowel het land als haar Belgische vrienden. Voor de rest heeft de lockdown haar leven niet zo hard veranderd, haar moederschapsverlof ging over in de zachte quarantaine. Het is pas nu dat ze wakker wordt uit de cocon van moeder en kind. Voorzichtig aan gaat de baby af en toe een halve dag naar de opvang, terwijl zij het werk herneemt. September kondigt zich aan als razend druk. Het stuk dat ze samen met Anoek Nuyens maakt over een rechtszaak tegen Shell, moet een scenografie krijgen die social distancing toelaat – De Wit schreef mee aan het stuk en zal er ook in acteren. Een ander stuk, over het oeuvre van David Foster Wallace, moet nog geschreven raken. En dan is er vanaf nu ook haar wekelijkse column in dit blad, waarvoor ze graag wat voorsprong zou nemen, ‘maar misschien is dat ongepast, want dan gaat het niet over de actualiteit’.

    Uw eerste column gaat over de vraag wanneer het gepast is te zeggen dat ‘het goed komt’. Bent u hoopvol over de toekomst?

    ‘Alles wat ik maak, komt meer uit wanhoop dan uit hoop. In mijn werk stel ik mezelf gerust, ik doe het om niet ten onder te gaan aan het gebrek aan verbondenheid dat ik voel als ik de krant lees. Ik voel vaak een politieke eenzaamheid door feiten als de Brexit. Er zijn zoveel dingen waar ik niet bij kan. In die zin voel ik me niet van de wereld. Ik voel me eenzaam doordat Trump verkozen is, doordat het bedrijfsleven zo uit de wind gehouden wordt. Mijn werk is een poging om te zeggen: waar is iedereen? Wat is belangrijk? Ik heb veel last van de toestand van de ­wereld.’

    Wat betekent dat ‘goed komen’ dan volgens u? Gelooft u dat de wereld er na corona anders zal uitzien?
    ‘Ik weet het niet. In het “goed ­komen” zoals je het over de coronacrisis hoort, zit een grote angst voor transformatie. Het lijkt te bedoelen dat we deze periode moeten overbruggen, dat we een brug moeten slaan tussen wat er was en wat de wereld zal zijn. Ik maak me zorgen over de wereld waarnaar we terugkeren. Ik gedraag me alsof het een kans is, maar ik ben bang dat we zullen terugkeren naar de dingen die we al kenden.’

    Waartoe zou deze crisis volgens u een kans kunnen zijn?
    ‘Ik hoop dat er een herwaardering komt van het publieke, nu zo duidelijk geworden is dat we niet zonder de publieke sector kunnen. We zouden het bnp bijvoorbeeld kunnen uitdrukken op basis van hoe het gaat met de publieke sector. De overheid zou zich beter niet profileren als een bedrijf. Een burger hoor je als overheid aan te spreken op zijn burgerschap, niet op zijn consumentschap. We weten amper nog wat het inhoudt een burger te zijn.’

    ‘Voor het theaterstuk over de rechtszaak tegen Shell, vanwege zijn bijdrage aan de klimaatverandering, heb ik onder meer een monoloog van de burger geschreven. Pas toen ik daarvoor ­research deed, kwam ik erachter dat er een grondwettelijk recht op vereniging bestaat, dat even belangrijk is als vrijheid van meningsuiting. Terwijl ik van de vrijheid van meningsuiting al weet sinds ik vier ben. Dat zegt toch veel? Wellicht betekent het dat we ons meer bezighouden met onze mening dan met te zoeken naar wat ons kan verenigen.’

    ‘Het publieke, en dan bedoel ik ook lucht en ecosystemen, zou centraal moeten staan in de keuzes die je als ­samenleving maakt. Dan maak je andere keuzes dan wanneer je alles in louter financiële kosten-batenanalyses giet. Pas dan kan alles zijn plek kennen. Dat een bedrijf als Booking.com geen belastingen betaalt maar wel overheidssteun vraagt, daar word ik boos van. Ik vind het ook ontstellend dat er 3 miljard overheidsgeld naar de redding van KLM gaat, met werkgelegenheid als enige ­argument.’

    Is werkgelegenheid dan geen belangrijk argument?
    ‘Jawel, maar er klopt iets niet. Er zijn ook andere manieren om banen te creëren – er zijn onder meer leerkrachten tekort. Als we ons aan de internationale afspraken over klimaatverandering zouden houden, zou KLM hoe dan ook een flink stuk kleiner worden. Ik vind het beschamend dat er niet eens protest is. Beslissingen worden geframed als “dit is nu eenmaal gezond verstand”, en niemand gaat daartegen in. Ik denk dat ik een pressiegroepje moet oprichten.’

    Hoe denkt u als schrijver met een pressiegroepje tegen het grootkapitaal in te gaan?
    ‘Ik heb geen idee! Maar ik wil, denk ik, vooral weten of mijn boosheid terecht is, er iets mee doen in plaats van ze op te potten. Misschien wordt het symbolisch, een vorm van bidden voor iets rechtvaardigers, maar ik merk dat de vraag die ik me vooral stel, gaat over taal. En of er geen slogans, beelden te verzinnen zijn waardoor iemand in pak met zo’n common sense-toon niet meer zo makkelijk wegkomt met maatregelen die ten koste gaan van het publieke.’

    Gaat u uw column daarvoor inzetten?
    ‘Het lijkt me leuk om de column te zien als een publieke ruimte waarin ik vragen stel waarmee ik zit. Wat is het verschil tussen lobby en corruptie, kan iemand me dat uitleggen? Dan wordt de column een gesprek met de lezers, een publiek prikbord, eerder dan een forum voor mijn inzicht.’

    ‘Ik wil dat er een ontvankelijkheid ontstaat. Ik hoop dat mensen aan het kerstdiner zeggen: “Ik dacht laatst …”, en dat ze dan iets uit mijn column aanhalen waarvan ze denken dat het hun eigen gedachte is. Een column als een doorgeefluik van gedachten, dat lijkt me mooi.’

    Wilt u dan niet erkend worden voor de oorspronkelijkheid van uw ideeën?
    ‘Ik beschouw mijn werk niet als iets wat ik zelf doe, maar als een gevolg van mijn leven in een gemeenschap. De ideeën die ik heb, krijg of vind ik – ik vind ze niet uit. In Afhankelijkheidsverklaring heb ik mijn broer in het dankwoord gezet, omdat ik besef dat ik veel gedachten van hem steel, ook al kan ik niet aanduiden welke precies. Mijn liefde voor taal en mijn boosheid heb ik ook deels van mijn broer. Het zou zelfs kunnen dat ik zo boos op de wereld ben omdat hij dat ook is, uit solidariteit.’

    ‘Een houding die afhankelijkheid ­erkent, heeft iets bevrijdends. Er komt minder op je eigen schouders terecht, omdat je minder bezig bent met het leven te zien als één groot project van zelfverwezenlijking, en alles wat je doet niet moet toeschrijven aan een persoonlijk slagen of falen. Ken je het verhaal van Job, die boos wordt op God? God wijst hem terecht door hem te vragen waar Job was toen Hij hemel en aarde creëerde. Ik vond dat als kind een beetje een flauwe speech van God, omdat de schepping van de aarde toch buiten Jobs verantwoordelijkheid viel. Maar nu denk ik: als je je machteloosheid in het grotere plaatje omarmt, zonder ze als alibi te gebruiken, kun je een grote dankbaarheid voelen voor dat grotere systeem.’

    Uw vader is dominee, u haalt het boek Job aan. Bent u zelf gelovig?
    ‘Of ik geloof dat God bestaat? Dat weet ik niet, maar als ik nee zeg, vind ik dat meteen zielig voor God, dus ergens in mijn denken is hij aanwezig. Ik heb een diepreligieuze opvoeding genoten, al moet je je dat niet te klassiek voorstellen. Mijn vader is bevrijdingstheoloog, de Bijbel is voor hem een boek van verzet, engagement en emancipatie. Met God heb ik in mijn opvoeding niet zo veel te maken gehad, wel met het onrecht in de wereld. In die zin heeft mijn engagement religieuze wortels.’

    ‘Martin Luther King zei: “The arc of the moral universe is long, but it bends toward justice.” Daar handel ik naar, ook al geloof ik het meestal niet. Maar anders word ik heel moedeloos.’

     

    1 juni 2020
  • De terugkeer, daar zouden we het over hebben. Dit in het idee dat we die terugkeer dan gezamenlijk in onze zaal zouden kunnen vieren. Dat kan helaas nog niet. Maar gelukkig is er de podcast, daardoor konden weer er toch samen met Michael Lamiray, Willem de Wolf en Thomas Oudman alvast een beetje over dromen, spreken en zingen.

    Hier is hij te beluisteren!

     

    4 mei 2020
  • De Nwe Tijd sprak 3 mei in Het Journaal Laat over het gemis van publiek, het najaar en de zoektocht naar nieuwe vormen en afspraken. Via deze link te bekijken of via het rechtstreeks fragment hieronder.

    4 mei 2020
  • recensies

    Op onze facebookpagina kan je reacties en gesprekken over ons requiem lezen.

    Ook in de pers werd erover geschreven:
    voor De Standaard interviewde Filip Tielens Freek Vielen en Harald Austbø,
    in de Knack tipte Els van Steenberghe de film
    en Dominique Piedfort schreef een kort stukje voor de Gazet van Antwerpen.

    Hier worden alle andere recensies verzameld.

     

    9 april 2020